Hoe zou het zijn
Als ik mijn deel
van de mist achter me heb gelaten
Geleid door het schuim
Van de herinnering
of de vrije associaties
van deze ballingschap
Die trillend wilde binnendringen
In de diepte van mijn ziel
Als een strompelende
kerkklok
Hoe zou het zijn
Als ik zorgvuldig
jouw ritme bewaak
Dat:
Het stromend bloed temt
In het lichaam van het water
En de aderen van de muur
Dat:
De borst van de vrouwen doet ontwaken
Wanneer de vingertoppen van de jongeling
Sluimeren,
Hoe zou het zijn:
Als ik de straatlantarens
Je één voor één zou noemen
straat na straat
En ik mijn gisteren en morgen
als pand in je handpalmen had gelegd
Het lawaai van zware opgaven
In een onverschillig notitieblok
geef ik
de straatlantaarns stuk voor stuk de naam van de geliefde of wijs
ik de
lantarens
één voor één aan aan de geliefde?
Maar: hoe zal ik ontkomen
Aan dit nu,
Scherp als de wijzer van een klok
Hoe zal ik redden
Je dromen
met opzettelijk vergeten
Een ander vuur ontstond,
In je oogkassen,
Die altijd bij de liefde passen
Om,
Ter wille van mij
Met oneindige liefde
Het geheim van deze seizoenen
Te verklaren
Die samen het ijs
In het hart doen gisten.
Wat een droef stemmende paradox
Dat jij ziet hoe in de
hevige veldslag
Jouw vijand jouw eigen muziek
tegen je gebruikt
Kon jij niet verwant zijn
aan de storm die,
nooit een embryo was
Zodat wij ons verbaasd afvragen
Uit welke eicel jij bent geconcipieerd
Om te vieren het einde
van de afstand tussen water
En luchtspiegeling
Jij versluiert het geheugen
Met je hand
zodat een andere vreemdeling
kan oversteken
Altijd
kalmeren mijn schepen
De paniek van jouw zeeën
Maar de kusten met de valse
vreugden
En de trillende veiligheid
Verstrooien snel
De wijsheid
Om de lust te berijden
Waar moet iemand van ons vluchten
Om alle vijanden samen op te slokken
Te verzamelen de wolken van heimwee
In het hart
Zijn armen uit te strekken
Naar de regen
Zonder zich te storen
Aan het niets
Dat zijn bliksems heeft verzameld
tegen ons.
Stel je voor dat ik de plant van het brein
verberg onder een harde steen
En dat ik de uitgestrektheid herstel met een
vers gehijg
Zul je mij geschikt achten om mijn kudde melodieën
naar het verleden te sturen,
Om het stromend bloed uit de slapen van vreugde te stoppen,
Om de ruzie tussen dag en nacht te beëindigen,
Om elke dag te berispen die mij alleen liet met de nacht
En elke nacht die zijn alcohol niet in mij giet?
Het is inderdaad een wonder dat we rondzwerven
In een ingebeelde hel
Dat we als tieners de zonnestelsels en planeten achtervolgen
En we niet letten op de bezorgdheid die diep in ons
steeds van kleur verandert zoals de hemel
De aarde valt terwijl muren op haar worden opgericht
Laat me tegen mijzelf zeggen dat ze moe is
Net als ik
En neerslachtig
Zoals jij
Maar ach, mijn vriend
Zo val je - zonder mijn toestemming
Het gekkenhuis binnen dat in mijn hoofd zit
De roos de vreemdeling die niemand ziet
Zo was het altijd
Verre vreemdeling
Voordat je de zee ziet
Gieten vriendelijke kapers
hun smart uit over jou
En geselen ze je met sprokkelhout
dat niet wil branden
Alsof jij de schepper bent
Van hun oneindige winters
Toch roep ik jou
in de naam van het geheim
En de aardbevingen
En de verstrooide voetstappen
Tussen twee zuchten
Ik roep je met je laatste naam
Je zwarte roos die niemand ziet
Jij bent gevlucht
Uit de huizen en de bedden
Jij weet niet dat jouw gevoelens
Niet wortelen in deze steden
Die bukken onder de ellende
Wat baat jou je lange gestalte
Als die niet bij machte is
Je boze influisteringen mores te leren?
Waarom strompelt tussen de koffer
En het lichaam
Je dood?
Is het niet tijd
Dat je zijn verschrikkingen verlicht?
Dat je hem frisser laat bloeien
Dan de roos die stappend op weg gaat
naar het huis van de zon
Waar haar ondergang en eeuwig leven
Elkaar steun bieden
Er is geen zonsondergang
Waarin jouw afwezigheid zich kan verschuilen
Je bleke schaduw is de bron van stormen
Je roestige keel leent zich niet voor gezang
Daarom hunker je naar verdwijning
Zonder reden
Maar aan wie worden hinderlagen toegeschreven?
Aan de tijd of aan zijn doornen?
Aan het licht of aan de duisternis?
Hoe worden jouw ruïnes en je lusthoven
Een weefsel?
Hoe?
Een collectieve biografie
Zij die aan het lot het hoofd boden
Met taal die de duisternis niet opklaart
En de diepten niet ommuurt
Ik kom hen opnieuw tegen
Ze ontvluchten de boten van hun handpalmen
Zoeken hun heil in de zee
Waar de vissen de kudde van hun lijven
Voeren naar verse mythen
Oh! ze laten de vogels van hun verlangens
Los in de hemel van anderen
Zonder te beseffen
of ze er goed aan doen
Of dat ze huizen oprichten
Voor de onnozelen
Hun liederen klinken zwak
Hun gelaat licht op
Door de angst en de geheimen
Hun achtergelaten vrouwen
Strooien hun ogen uit over de wegen
Hun blikken op de deuren
Zijn rood geworden
Hun liefde zwijgt
Hun listen kunnen wachten
Ze verven de drempels
Met kokende olie
Om te branden van verlangen
Naar de terugkeer of juist niet
Zij die een verbond hebben gesloten
Met hun lot tegen zichzelf
Smarten smijten hen uiteen
Zo heftig dat ze zijn gaan stralen
Hen verenigt het dolende ritme
En hun zoektocht ernaar
Ik verlaat hen
Luisterend naar de hallucinaties
van de eeuwige verbijstering