Die vele kinderen die om je heen dartelen,
Heb jij namen voor hen gekozen
of liet je dat aan de tuinen over?
Die groene kinderen
zullen zij opstijgen uit de diepten
of neerdalen
van de hoogste toppen?
Die kleine, kleine kinderen
ik zie hen nu
- flitsend als
veelkleurige vissen
in het aquarium om hen heen -
Jij bent hun water.
Allemaal (1980)
Iedereen zei me dat het onbegonnen werk was.
Iedereen zei me dat ik niet moest proberen te steunen op stof in de zon,
en dat mijn geliefde,
voor en onder wiens boom ik stond,
onbereikbaar was.
Iedereen zei me: "Je bent gek als je je zingend
in een vulkaankrater stort".
Iedereen zei me dat ik die berg van zout
me toch nooit één beker wijn zou schenken.
Iedereen zei me dat ik nooit op één been zou dansen
omdat dat éne been toch nooit op mijn uitnodiging zou ingaan.
Iedereen zei me dat er toch geen lichten zouden branden op het avondfeest.
Dat is wat iedereen me zei.
En toch: op het feest waren ze er, allemaal.
Als wit (1975)
Uit het blauw dalen vele vogels neer
met felgekleurde sjaaltjes in hun snavels.
Uit het lila geeuwt de maan ons toe
moe van slaapgebrek
ze wast haar wangen
met het water van waakzaamheid
en gaat dan aan de slag
Uit het azuur roeren zich de dromen van bezielde volkeren
ze tuigen wakkere hengsten op, en kijken of alles goed zit
Uit het roze ontvouwt zich pronkend de begeerte
ze plooit de banieren van schaamte netjes op
spreidt de rode vaandels open
en doorbreekt orde en regelmaat
Uit de vreugde in jouw ogen
begin ik
als een mythe
ik kijk om
ik vind alleen sabels
die trillen als een woud
van twijgen in de storm.
Als jouw geschrei me overvalt
sleept de stroming me mee
ver weg van de kust
buiten bereik van elk schip
Ik verlang naar je
zoals wit naar alle kleuren verlangt.
Allerhoogste (1970)
In het hoge bed, hoger dan de wolken
liet de slaap ons in de steek
De slaap is klein van gestalte
en wij lagen hoger dan de hoogste top
In het allerhoogste bed
waar wél de regen
maar nooit de slaap ontspringt
maakten wij kinderen naar eigen goeddunken
We tekenden hen, schilderden hen,
kleedden en ontkleedden hen
Boven dat hoge bed, hoger dan alles wat eronder lag
leerden we ze lopen
en ze buitelden over elkaar als dronkelappen
dronken van een wijn die zoeter is dan regen
In het allerhoogste bed
waar de slaap, klein van gestalte,
ons niet genaken kon
werden wij geschapen en schiepen wij
en keken naar de regen
aldaar…
Vrijheid (1980)
Op het eiland dat de vorm van een zwangere vrouw aanneemt
geeuwt een verliefde man in zijn cel
- een cel zo lang als een graf
zo diep als een waterput -
hij verspreidt zijn schalkse glimlach.
Op het eiland dat zwanger zwanger zwanger is
en geen kind kon baren
kwamen ze hem het nieuws vertellen
over het kindje
zoooo klein
dat zijn vrouw ter wereld had gebracht
Ze zegden hem:
Nu ben je vader.
Hij geeuwde
met dezelfde schalkse glimlach
Het liet hem vrijwel koud
en hij zei:
En wanneer gaat mijn moeder mij
nu eindelijk ter wereld brengen?
De Kapitein (1990)
Hij bouwde zijn schip en maakte het als torens zo groot. Torens waarop vaandels lucht inademen.
Rondom het water bouwde hij een gordel van vuurtorens.
Alleen meeuwen hebben weet van het licht, van de tijd, van de brede banen van sterren en planeten.
Hij vulde de kajuiten met wijn en brood en liet de valreep neer voor de zeelui, die misschien zouden komen.
Hij hees de zeilen. Het wit werd de ruimte en vulde de ganse horizon.
En zo stond hij daar - als de allerhoogste scheepsmast - op wacht, wachtend op de zeelui.
Hij was te laat. Veel te laat…. Maar hij bleef wachten.
Daar (1992)
Hij herinnert zich zijn gevangeniscel, met het raampje,
als brandende liefde, onvergetelijk
Hij rilt in de kooi van vrijheid
Daar…
Waar de eindeloze horizon zijn wolkenkudden bijeendrijft
alsof er vrijheid was, daar
ver weg, begeerlijk
Vrijheid, waarmee het leven kon uitpakken
Geen gezag dat hem raken kon, geen hand boven zijn hoofd
Scherp was hij, als het lemmet van de tijd
Onverbiddelijk als een bliksemschicht
Imposant en verheven als de hooghartigheid der goden
Met zijn handen vrij om te scheppen
schonk hij zijn dromen de taal
kreeg medelijden met zijn creaturen en koos er enkele uit
Daar…
Daar vond zijn krachtige vrijheid haar begin
Hier wordt hij gedwongen te zoeken naar verbanden.
Ondervraging (1992)
Ik heb geen antwoorden als de wind de deur intrapt
Ik heb verlangens die zichzelf in slaap wiegen
In mijn vergetelheid kan het water zichzelf spiegelen
kan een boom zijn onschuld bewijzen voor de routine van zijn twijgen
en kan hij zijn blaren verzenden met de avondpost
O geduldige wind
neem het zagemeel van de deur mee en ga heen
Ik heb geen antwoorden
Hier zijn doosbenauwde konijnen die neervallen in de steppe
zoals wellust te pletter stort in het lichaam.
Spreuken van een adolescente nacht (1995)
1
We zijn slechts een eiland
voor iemand die vanuit de zee naar ons kijkt.
2
De beker halfvol wijn,
de andere helft was niet leeg -
zij was in vervoering.
3
Schrijven is:
nooit eerder gebruikte lucht ademen.
4
Ik benijd hen die slapen
omwille van de overvloedige rijkdom
tussen hun ogen.
5
Ik schrijf over liefde
zoals een kind zijn indrukken
over volwassenheid tekent.
6
Een onbereikbare droom
is draaglijker dan een uit de hand gelopen illusie.
7
Een gordijn voor het raam is
een deurwachter die machtiger is
dan de sultan.
8
Halfweg tussen water en vuur is een kruik
een prikkel voor de vlammen.
9
Hij telde, waar ik bijstond, zijn vrienden
op de vingers van één hand.
En toen pas merkte ik
dat zijn hand geen vingers hád.
10
De heersende macht = terreur om aanvaarding af te dwingen
Verzet = terreur om afwijzing af te dwingen.
En beide willen ze welvaart voor het volk
onder één enkel gezag.
11
Het staat me niét vrij om te aanvaarden.
Het staat me alleen vrij om af te wijzen.
12
Ik zie de wind die speelt met de vlag
van dit oord,
terwijl mensen geen lucht meer krijgen om te ademen.
13
Een ruimte boordevol antwoorden.
Iedereen wordt met antwoorden bestookt.
Antwoorden zát in elk hoekje, ieder gaatje.
Dat roept vragen op.
14
Hij wil zich verontschuldigen
niet omdat hij mijn vijand was
maar omdat hij niet had kunnen verbergen dát hij er één was.
15
Zelfs varkens hebben zo hun nut.
Zij zingen liedjes over de vuilnisbak.
16
Ze lijkt wel de Overheid.
Ze maakt zich mooi op
praat tot zichzelf in de spiegel
en trekt zich niets aan van wat de mensen zeggen.
17
Ik heb aan deze nacht
niet genoeg voor al mijn dromen.
18
Elke dag opnieuw
vergewissen we ons van het nutteloze
dat onbegrijpelijk is.
19
Gewoonlijk laat ik
mijn geheugen zomaar in zijn dooie eentje achter.
Om de wonde te vergeten en het mes te gedenken.
Het lemmet heeft ons ervaring geschonken.
En het geheugen is moe.
20
Men beweert
dat de toekomst het tegenovergestelde is van het verleden.
Wij leven in een voortdurend heden.
21
Ik heb vele geheimen
Ik gebruik ze om mijn gedichten opeen te stapelen
en ik gooi ze omhoog, in de lucht van taal.
Iemand moet ze toch ontmaskeren…
22
Die ene, die ik niet ken
en die mij niet kent…
Waarom komt hij zoveel te laat
en levert hij me over
aan de eenzaamheid van het trottoir?
23
Als kinderen knarsetanden
hoor je hun hartjes malen als molenstenen.
24
Nee, Nacht,
je staat niet alleen.
Er zijn nog ontelbare andere kluizenaars.
25
Kijk kijk:
ze staan klaar om hun houding te veranderen:
gewoon even met hun voeten schuifelen.
26
Ze kwamen samen voor een gesprek
en wisselden standpunten uit
alsof ze elkaars maskers opzetten.
27
Ze willen het volk overtuigen dat de mensen het verkeerd voor hebben
dat de leider het bij het rechte eind heeft…
Bij het rechte eind. Echt waar…
28
Stilte…
een manier om overduidelijk te vleien
wat verkeerd is.
29
Als wat juist is er niet in slaagt iets te onthullen
dan zal wat verkeerd is het wel aan het licht brengen.
30
Als de werkelijkheid hem niet kan overtuigen
kunnen jouw woorden dat al evenmin.
31
Leg, voor je in slaap valt,
een roos op je borst.
32
En waar ligt het verschil
tussen een blinde
en iemand die niet zien wil?
33
Het gerinkel van mijn ketenen vult de ruimte.
En ik,
ik verkondig mijn vrijheid.
34
Men zei: hij is de weg kwijt.
Ik zei: de weg is kwijt.
35
Nu trillen mijn lippen vóór elk woord.
Mijn lippen hebben zich gewonnen gegeven.
36
Hou jullie klaar … Het verleden is in aantocht.
Lijf (1997)
Ik zag je, in een lijf waarin hengsten kreunen,
een lijf met mouwen waaruit bliksems opflitsen.
Overgeleverd aan zuchtend hunkeren,
vertrappeld door jonge merries hinnikend van begeerte,
vol passie dwepend met de paringsdaad,
er kwamen woorden uit, als een rietstengel
die zich een weg zoekt tussen treurnis en staal.
Ik zag je, temidden een ras van vermoorde mensen,
gepassioneerd door vuur en gebroken glas,
een lijf, ijlend en tierend van liefde,
een ziel, door de dood over het hoofd gezien.
De steen (1997)
Niemand kent de steen zoals ik.
Ik heb hem gezaaid in de kiemen van de berg. In de steen heb ik de bloem der metalen grootgebracht.
Hij groeide op, als een kind dat zijn eerste stappen zet, en ik ben in zijn voetsporen getreden.
Zijn zwijgen is als een luisterend hart; zijn eenzaamheid een alfabet dat de taal nog moet leren.
Glanzend en gepolijst is hij, waardoor de schat erin doorschijnt, hij treedt naar buiten in boeken en spiegels,
In de steen lees ik het glas van het paradijs en de toverspreuk van de hartstocht.
Licht en monter stijgt hij op om de wind de vriendschap van het schrift te kunnen bieden,
zoals ik …
De steen: een eenzaat, die graag in het gezelschap van de vreemdeling vertoeft.
Zijn water is de waakzaamheid van het hoogtepunt.
Hij waakt koesterend over de sluimer van bomen.
Bij elke helling ligt post voor hem klaar, witgewassen door de sneeuw,
en van de zee ontvangt hij de brief van de golven.
Twee ogen, die overlopen van passie en van de kinderjaren van de vreemdeling,
Opgejaagd als een tijger schommelt hij in de netten die om mij heen bungelen.
De steen hoort het kloppen in de aderen,
Wordt doorzichtig, wulps en wellustig, doolt rond,
Raaskalt, kletst maar raak,
zoals ik …
De steen kent geheimen en schandalen
en is doordrongen van onderlinge verbanden,
de roos heeft aan hem haar bestaansreden te danken als hij in extase en ontbinding
de berg beloert
Zoals ik:
Zijn namen liggen verborgen in de metalen en in de voorwendsels van de vijand,
zoals ik
De steen is een langzaam wegsmeltende geliefde.
Zijn water is rusteloosheid en het paradijs van het verlies.
Hij krijgt de liefde te verduren
Gesterkt door het reizen en het verlangen naar afwezigheid,
zoals ik.
Alleen hij kent de geschiedenis van mijn stappen en misstappen,
en kan vergeven en vergeten.
… zoals ik.
Dichters (1997)
Dichters tekenen de natuur, nog vóór zij daar zelf aan toe is.
Zij scheppen uit het niets, vinden uit
en bouwen een hutje, waaruit dan een troep nietsnutten naar buiten komt.
Een tijdlang lopen ze te zingen en huldigen dan een weg in, zodat het water de vorm van een stroom kan aannemen.
In de leem strooien ze de herinnering aan bomen uit,
en in de woorden van een gedicht herkennen de vogels hun kleuren
en hun zeldzame namen.
Als de dichters uit hun slaap ontwaken
beginnen de jonge nietsnutten aan hun onheiligende taak,
ze halen kattenkwaad uit
en rollen vechtend over elkaar heen, net alsof de natuur hen weer eens had geteisterd,
ze gaan tekeer, tempeesten,
hun ledematen worden vel over been, alsof de seizoenen meteen al wilden beginnen,
alsof de kindertijd plots
vaste vorm had aangenomen,
terwijl de ogen verbaasd
naar het improvisatiewerk van de natuur tuurden,
en de jonge kerels, die kattenkwaad uithalen,
begaan hun fouten in aparte groepjes,
zoals gedichten die opflakkeren in de glans van de tijd.
De schepsels scheuren de geschenken open
en nemen er het bekoorlijke beeld van mee,
alsof tongen de basis vormden van de schepping,
en de mensen, die te verbijsterd zijn om te beginnen,
kussen de transparante sneeuw, die hun spiegel siert,
om te kunnen zien
wat de dichters met hun vluchtige dromen uitspoken.
Poëzie haalt kattenkwaad uit met het proza,
en de jonge schurken begaan onbenullige schanddaden.
Net een kind, dat huilt aan de moederborst en erin krabt,
Net een tekst, die een beeld kapot maakt.
Dan valt de liefdesappel uit de boom
en de vrouw gaat kopje-onder in een verloren geliefde.
Zo onthult de wolf een legende met zijn bebloede hemd
En de onschuldige broers bekennen.
En de natuur spreekt de achteloos-speelse schepper vrij
en aanbidt hem.
Hunker naar bruggen (2000)
Op de ontvoerde eilanden
rent de man met de bleke voeten
Zijn voetstappen lopen op de tijd vooruit
en zijn gezangen zijn, net als hijzelf, doordrongen van angst
In het zout van de kusten, in de stromen van het water verzamelt hij verbanden en samenhang
Hij wordt opgejaagd door het verlangen dat zijn laatste boek spelt
Hij stelt de dag en de nacht uit
en de tijd kent de stenen van zijn dromen.
Hij verstelt de scheuren tussen het water en het vasteland;
dank zij hem ontbrandt de natuur van de omhelzing in de lichamen.
Zijn eilanden zijn ontvoerd
Zijn geschiedenis is bloed, vergoten in verre uithoeken van de wereld
En hij blijft dolen, beklemd, verstikt.
Het erfgoed van de reis (2000)
Als een ruiter, die van de rug van de reis valt
terwijl het paard zelf zich snel uit de voeten maakt
De kadavers struikelen over hem terwijl hij naar beneden tuimelt
en zijn dik, gutsend bloed wast de stenen van de aarde weg
De krijgers staan niet eens stil voor hem
en de paarden keuren hem geen blik waardig.
Alleen de krijgsgevangen voedsters
nemen tijd voor hem
Zij verbinden zijn wonden met hun lompen
en duwen hun borsten, overvol met de melk van de ervaring,
tegen zijn uitgedroogde lippen
en tegen zijn wonden, die vol stof zitten sedert hij met de karavaan heeft gebroken.
De ruiter is hier
en de paardenrug is ginds, ver weg - waar de reis is.